De eerste frietkraam van het land
Jean-Frédéric Krieger introduceerde de frietjes in België, maar was ook de grondlegger van de Belgische frietkotcultuur. In 1844 trouwde Krieger en startte hij met zijn vaste frietzaak ‘Fritz’, mogelijk in Brussel. Over dit beginjaar van ‘Fritz’ is weinig bekend, maar Krieger en zijn toen nog toekomstige vrouw deden vóór die tijd al met de eerste frietkraam van het land de Belgische kermissen aan. In die periode steeg de amusementswaarde van kermissen, werden er steeds vaker etenswaren aangeboden en door de groeiende koopkracht werd de kermis bovendien ook voor velen toegankelijk. ‘Monsieur Fritz’ kon op die manier al snel een groot publiek bereiken en – geholpen door zijn advertenties in lokale kranten – werd hij een bekend figuur in België. Zijn succes zorgde voor navolging, zowel in Brussel als op de kermis. Dat vormde echter niet meteen concurrentie voor hem en hij kroonde zichzelf tot ‘Koning van de friet’.
Commercieel succes
Vanaf de jaren 1850 waren de frietkramen niet meer weg te denken op de kermis. In 1856 telde de Luikse kermis bijvoorbeeld al drie frietkoten en vijf jaar later waren dat er zelfs zeventien. Ook de frituur van Monsieur Fritz kende een groot succes en breidde fors uit in de jaren 1850. Hij bouwde een heel netwerk van frietkoten uit. De aardappelen werden er machinaal gesneden en de potten geklaarde boter stonden klaar op het gasvuur om grote hoeveelheden friet te bakken. Maar frieten veroverden ook hun plaats buiten de kermis. Mobiele frietkoten en frietwagens verschenen in de steden op centrale plaatsen en in de tweede helft van de negentiende eeuw openden de eerste frituren in een vast pand. Naar het einde van de eeuw toe deden frietjes ook hun intrede in de restaurants.
Typisch Belgisch fenomeen
Aan het begin van de twintigste eeuw verdween de friet stilaan uit het Parijse straatbeeld, terwijl in België de friet net doordrong in de volkse keuken. Ambulante verkopers waren in het begin van de twintigste eeuw op elke hoek van de straat te vinden en frituren doken op in elke stad. Na de Eerste Wereldoorlog was het buitenstaand frietkot volledig ingeburgerd. Ze nestelden zich vaak aan de voet van een monument, op marktpleinen, bij kerken en stations. Deze frietkoten genoten een enorme populariteit tot in de jaren 1980, daarna doken steeds meer frituren in een vast pand op. De frietkoten zijn een typisch Belgisch fenomeen. Met uitzondering van de grensgebieden in Frankrijk en Nederland zijn ze in het buitenland niet terug te vinden.
Frietkotcultuur vandaag
Vandaag telt België ongeveer 5000 frietkoten en zijn frieten erg geliefd. Ongeveer een kwart van de Belgen gaat wekelijks naar de frituur en de helft gaat zeker maandelijks een pak friet halen. Daar gaan tal van ongeschreven, informele rituelen mee gepaard, zoals een vaste frietdag of de gewoonte van veel Belgen om frietjes van de frituur te eten als ze net terugkomen van hun vakantie in het buitenland. Bovendien heeft ook iedereen wel een ‘stamfrituur’, waar ze de frietjes het lekkerst vinden. Elke friturist bakt op zijn eigen manier en die diversiteit maakt de frietkotcultuur net zo speciaal, als tegengewicht voor de eenheidsworst in de fastfoodrestaurants. Alle frietkoten zijn verschillend, qua menukaart en qua uitzicht, en toch zijn ze allemaal erg ‘Belgisch’.
X

Geen opmerkingen:
Een reactie posten