zondag 31 mei 2026

WATER IN HET BOERENBEDRIJF






Water.. altijd belangrijk in het boerenbedrijf.. Gelukkig waren er naast de kraan veel andere mogelijkheden om aan water te komen. B.v. de pomp, de regenwaterput, de welput en de beek

zaterdag 30 mei 2026

GENK (TOEN GENCK) - TEKENING WANDELAARS


Een intrigerende tekening brengt ons terug naar Genk vermoedelijk ergens in de jaren zeventig van de negentiende eeuw, naar een wereld die allang de onze niet meer is. De tekenaar is niet bekend. Er is nergens een signatuur te bespeuren. Het was iemand die te gast was in Hôtel de la Cloche, de trefplaats van de eerste generaties kunstenaars. Dit hotel krijgt in de tekening een hoofdrol. Vooraan rechts staat een jonge Genkenaar -een boerenzoon, op klompen- die een bord omhoog houdt om de wandelaars er aan te herinneren dat het eten om 1 uur geserveerd wordt. Het hotel zelf herkennen we als het witte pand links van de Sint-Martinuskerk aan de horizon. Deze twee gebouwen samen verbeelden het kleine dorpscentrum van waaruit kunstenaars en toeristen het Genkse landschap introkken. De tekening toont zo'n groep wandelaars, op de terugweg richting het dorp.Deze wandeling was waarschijnlijk ingericht door het hotel zelf, in deze tijd een toeristische dienst op zich. Ze organiseerden geleide wandelingen naar de mooiste, meest pittoreske plekjes van het dorp. De wandelaars op deze tekening komen vermoedelijk terug vanuit Langerlo en Sledderlo, van een tocht naar de zogenaamde Duivelsstenen. Deze grote stenen waren omhuld met mysterie en er deden heel wat verhalen over de ronde. Kunstenaar Armand Maclot (1877-1959) herinnerde zich deze dikke stenen en schreef in 1948 de legende van de Dikke Duivelstenen in Langerlo neer, zoals hij die altijd had horen vertellen. De stenen lagen verspreid over de heide die vandaag ingenomen is door het industrieterrein van Genk-Zuid. Ze zijn verdwenen, verwerkt tot beton, aldus nog Maclot, in de bedding van het Albertkanaal. Maar ze zijn niet allemaal verdwenen. Je kan er enkele terugvinden, onder andere op de hoek van het driehoekige pleintje aan de kapel van Langerlo. De groep op de terugweg na een bezoek aan deze duivelsstenen is een bont gezelschap. De man vooraan links is, alleen al op basis van zijn kledij, geen Genkenaar. Vergelijk zijn tenue met deze van de boerenzoon met het paneel in de hand. Hij is mogelijk een toerist, misschien wel een kunstenaar. De twee figuren achter hem zijn ook interessant. Rechts, met een rode schort voorgebonden, staat een vrouw in typisch Kempische klederdracht. Links van haar staat een lange, magere man, met een hoedje en rode sjaal om de schouders, het is een botanist, op plantenjacht. Vooral de omgeving van natuurreservaat De Maten was voor plantkundigen een ware schatkamer waar botanische zeldzaamheden als de stekelbiesvaren en waterlobelia groeiden. Hoe weet men dat het hier om een botanist gaat ? Wel, je kan hem herkennen aan het vasculum dat hij om de nek heeft hangen en onder zijn arm klemt. In deze tinnen, cilindervormige botanistentrommel met deksel werd de plantenoogst liggend op een knus, vochtig bedje van natte doeken of watten veilig mee naar huis genomen, klaar voor het herbarium en verder onderzoek. Achter de Kempische dame en de botanist herkennen we nog een gezinnetje: een moeder met parasol, de dochter aan haar rokken en haar echtgenoot die gedwee volgt. Dit lijken toeristen op zoek naar rust en ontspanning in het Genkse landschap. Even verderop passeren de wandelaars nog een herder en zijn koeien, voor ze terug zullen aankomen in het hotel, waar ze hongerig na deze fikse wandeling van enkele uren aan tafel kunnen aanschuiven.

X

GENK (TOEN GENCK) - LANDSCHAPSSCHILDERS AAN HET WERK



Genk was een populaire bestemming voor landschapsschilders in de 19de eeuw. Vanaf het midden van de eeuw trokken steeds meer kunstenaars naar het platteland om de natuur en het landleven te verbeelden. Het schilderen in openlucht werd geassocieerd met eerlijkheid en zuiverheid, waarden die een belangrijke rol innamen in het progressieve artistieke discours en het verzet tegen de industrialisering en de academische schildertraditie. Deze pleinairisten waren uitgerust met verftubes (een uitvinding uit 1841), parasols, opvouwbare krukjes en draagbare schilderezels. De schilder op de voorgrond is vermoedelijk Emile Van Doren, die zich later in Genk zou vestigen en er samen met zijn echtgenote Cidonie Raikem het Hôtel des Artistes opende.

X



BOER EN PAARD (JAREN '20)


X

vrijdag 29 mei 2026

DORPSLEVEN (FOTO 1927)




Het dorpsleven in de jaren 30 werd gekenmerkt door een sterke sociale cohesie, kleinschaligheid en een sober bestaan. Men was grotendeels zelfvoorzienend, zwaar afhankelijk van elkaar binnen de gemeenschap en het dagelijks ritme werd bepaald door de natuur en de kerk.
De belangrijkste facetten van het plattelandsleven in deze periode waren:
  • Landbouw en Ambacht: Het dorp draaide op kleinschalige landbouw. Naast boeren waren er lokale ambachtslieden zoals de smid, wagenmaker, bakker en timmerman onmisbaar.
  • Sociale controle en verbondenheid: Iedereen kende elkaar. Roddels en nieuwtjes werden uitgewisseld bij de waterpomp, aan de schoolpoort of in het plaatselijke café.
  • Geloof en traditie: De zondag was heilig en stond in het teken van de mis. Het kerkbezoek was een sociaal moment om gezien te worden. Daarnaast waren er processies en kermissen de belangrijkste jaarlijkse hoogtepunten.
  • Sobere leefomstandigheden: Het huishouden was arbeidsintensief. Elektriciteit en stromend water waren er lang niet altijd. Men deed inkopen bij de kruidenier of venters die aan huis kwamen.
X

DORPSLEVEN 1930


De vrouw staat met een klomp (die niet te zien is) op een handvat van de kar.

X


woensdag 27 mei 2026

PAPIERBALLEN DROGEN TIJDENS DE TWEEDE WERELDOORLOG


Als alternatieve brandstof werden ook papierballen gebruikt. Allerlei papier, voornamelijk kranten, werd nat gemaakt en tot ballen gekneed. Deze ballen werden vervolgens gedroogd. Een goede papierbal leverde ongeveer een uur warmte. Voor kinderen betekende een papierbal iets heel anders. Veel kinderen voetbalden in die tijd op straat. Maar op een gegeven moment waren er geen ballen meer te vinden, zelfs geen tennisballen. Toen werden er ballen gemaakt van proppen papier met een touw erom. Toen ook het touw op raakte, maakte men 'touw' van papier. Nadeel hiervan was dat als de bal nat werd, het papiertouw uit elkaar viel en je geen bal meer had.

X

dinsdag 26 mei 2026

BOERENPORTRETTEN


1961

1961

1970

De boeren op deze foto’s staan zeker niet op hun mooist op de foto. Gele gebitten, scheve tanden, rode, gevlekte gezichten, littekens op scheve koppen, het zijn niet bepaald fotogenieke types die hier voor de eeuwigheid vastgelegd zijn. Dit is toch een ietwat andere wereld dan de licht romantische van Boer Zoekt Vrouw. Hier krijgen we een kijkje in de harde wereld van het boerenbestaan, al is het op een onbewaakt moment – als de boeren ontspannen, na het werk. Maar je ziet om wat voor mensen het gaat. Die mensen zijn hier met liefde geportretteerd, al zien de foto’s er in eerste instantie genadeloos uit. Maar er spreekt ook bewondering uit, voor deze mensen die een hard, zwoegend bestaan leiden. En dat zie je óók in de foto’s: de vermoeidheid, de littekens van dit bestaan – alsof de fotograaf niet alleen bewondering heeft voor deze mensen, maar ook met ze te doen heeft. De boer, die misschien wel tegen beter weten in, toch altijd maar door gaat, dag en nacht, in weer en wind.

X

maandag 25 mei 2026

KOREN MAAIEN 1938

Ingekleurde versie

X

BOER EN MELKBUSSEN



MELKEN IN DE WEI (JAREN '70)


KNOTWILG


Een knotwilg is een wilg die enkele jaren na te zijn geplant, op circa 1,5 – 2 m hoogte wordt afgezaagd. Daarna wordt de boom iedere 3-6 jaar geknot door de nieuw uitgelopen takken weg te nemen. De verdikking aan de basis van de uitlopers vormt de knot waaraan de knotwilg zijn naam dankt. De knotwilg wordt traditioneel op grote schaal in laaggelegen gebieden aangeplant langs wegen en sloten. Ze leverden geriefhout en verstevigden met hun wortels bermen en oevers. Om de in het landschap door de mens gevormde karakteristieke rijen met knotwilgen te behouden als landschapselement dienen deze met regelmaat te worden geknot, wat vaak gebeurt door vrijwilligers. Een knotwilg kan bij geregeld onderhoud zo'n honderd jaar oud worden. Aanplantingen waar de wilg op maximaal 50 cm hoogte geknot is worden grienden genoemd. De kweek van wilgentenen werd in vaak buitendijks aan de grote rivieren gelegen grienden op grote schaal bedreven. De takken die daar aan knotwilgen groeiden takken zijn waterloten van de katwilg. Ze werden gebruikt voor vlechtwerk en rijshout. De vraag daarnaar is door verminderd gebruik sterk afgenomen. In de humusrijke knot van oudere bomen kunnen ook planten groeien en broeden soms eenden. Snelgroeiende planten als gewone vlier of lijsterbes kunnen zo een knotwilg laten splijten. Overigens werden niet alleen wilgen als knotboom ingezet, men benutte onder meer els, es, populier en zomereik als knotboom. 

X

URBANISATIE, VERDRINGING PLATTELAND DOOR STADSUITBREIDING





ZESTIG JAAR IN EIEREN (ARTIKEL JAREN '80)



X

zondag 17 mei 2026

JAAGPAARDEN

Twee opgetuigde jaagpaarden, waarvan één met zadelkussen. Op de achtergrond een trekschuit die wordt voortgetrokken door een paard.

Het Scheepsjagen is een vak apart. Dat was voor 1940 ook al duidelijk; de scheepsjagers waren van de wal afkomstig, het waren geen schipperskinderen. Met de paarden was dat net zo: een jaagpaard moet beleerd worden om een schip te kunnen trekken. Een boerenpaard of een trekpaard is niet automatisch geschikt als trekdier voor een schip. Een schip trekken is duursport; rustig aan beginnen en een langdurige prestatie neerzetten. Bomen uit het bos trekken of een voor ploegen is veel geven op een kort traject en dan een rustperiode inlassen. Recht vooruit trekken is anders als vele kilometers aan een schuine lijn staan. Het is een wonder dat een jaagpaard niet over zijn eigen benen struikelt. Een jaagpaard hoeft niet de afmetingen van een Gronings-, Zeeuws- of Belgisch trekpaard te hebben. Een Fjord of zelfs een “tanig “ paard kan voldoen, vermits ze maar een makkelijk en zachtmoedige aard heeft. Een ander soort zachtmoedigheid dan het gemiddelde paard uit een manege. Het beleren voor dit werk bleek nog niet zo eenvoudig te zijn. Het is anders als het beleren in een bak of aan een tredmolen. Ook de loopsituatie is anders; was voorheen een jaagpad een soort aangestampte geul naast het kanaal, nu is het afwisselend berm, asfalt of klinker. Het vergt veel aanpassing van zowel het paard als van de jager aan deze wisselende omstandigheden. Scheepsjagen is dus een ambacht en ze verdient een daarbij horende waardering. 

X

woensdag 13 mei 2026

BINNENHALEN VAN HET STRO 1976

Ingekleurde versie

Upscaled

X



BINNENHALEN VAN HET STRO 1975

Ingekleurde versie

Upscaled

Vroeger werd stro veel gebruikt in stallen bij runderen, paarden en schapen. Stro vermengd met de uitwerpselen van dieren wordt stalmest genoemd.

X



dinsdag 12 mei 2026

STAARTEN COUPEREN MODEVERSCHIJNSEL IN DE LATE 19DE EEUW GEÏNTRODUCEERD BIJ HET BELGISCH TREKPAARD







X

MET VIJF EENDENKORVEN OP EEN FIETS 1955


X



MOBIELE HOEFSMID 1961


Tot in de tweede helft van de vorige eeuw was de taak van de hoefsmid vaak een nevenfunctie van een gewone smid. Men ging met de paarden naar de smederij, waar zij 'warm' werden geslagen. Naast het bekappen, het afsnijden en bijvijlen van hoefranden plaatste hij ijzers onder de hoeven om slijtage door verharde wegen te voorkomen. Met zijn mobiele hoefsmederij maakte hij de ijzers precies passend. Hoefijzer-maatwerk dus! 

X

MET VIJF EENDENKORVEN OP EEN FIETS 1955


X



maandag 11 mei 2026

CHER AMI REDDE 194 SOLDATEN IN DE EERSTE WERELDOORLOG


Postduif Cher Ami werd in de borst geschoten, maar redde bijna 194 soldaten in de Eerste Wereldoorlog. Cher Ami werd neergeschoten, verloor een poot en raakte blind aan één oog, maar wist toch een cruciale boodschap bij de Amerikanen te bezorgen. Daarmee redde hij 194 levens.

In de Eerste Wereldoorlog waren radio’s en telefoons nog lang niet betrouwbaar genoeg voor communicatie aan het front. Daarom vertrouwden legers op een verrassend hulpmiddel: postduiven. Met berichtenkokertjes aan hun poot vlogen ze dwars door kogelregens en artillerievuur naar hun bestemming. Eén van die dieren groeide uit tot een ware oorlogsheld. Zijn naam was Cher Ami, en volgens velen redde hij in 1918 het leven van bijna tweehonderd Amerikaanse soldaten.

Postduiven als redding aan het front 
Cher Ami, Frans voor ‘goede vriend’, werd in 1918 geboren en maakte deel uit van het Amerikaanse Army Signal Corps. De Verenigde Staten waren een jaar eerder betrokken geraakt bij de Eerste Wereldoorlog en stuurden zeshonderd postduiven naar Frankrijk om berichten over het slagveld te vervoeren. Dat was gevaarlijk werk. Veel duiven werden onderweg door vijandelijk vuur geraakt of simpelweg nooit meer teruggevonden. Dat gold niet voor Cher Ami: de vogel wist maar liefst twaalf missies succesvol af te ronden, uitzonderlijk veel voor een oorlogsduif. Zijn beroemdste vlucht vond plaats tijdens het Meuse-Argonne-offensief in het najaar van 1918, een van de grootste Amerikaanse operaties aan het westfront.

Het ‘verloren bataljon’ 
Cher Ami vloog voor de 77e Divisie van het Amerikaanse leger, beter bekend als het ‘verloren bataljon’. Deze eenheid raakte diep in vijandelijk gebied geïsoleerd van de rest van de Amerikaanse troepen. De soldaten kwamen zwaar onder vuur te liggen van Duitse eenheden. Tot overmaat van rampTot overmaat van ramp wisten hun eigen artilleristen niet precies waar het bataljon zich bevond, waardoor de Amerikanen ook werden geraakt door eigen beschietingen. Communicatie was vrijwel onmogelijk. Radiosignalen bereikten het hoofdkwartier niet en boodschappers konden de linies nauwelijks passeren. De soldaten hadden nog maar één optie: een postduif.  

Cher Ami, de laatste hoop van de 77e Divisie
Majoor Charles Whittlesey beschikte op dat moment nog over zeven postduiven. Eén voor één werden ze uit de lucht geschoten. Uiteindelijk bleef alleen Cher Ami over. Whittlesey bevestigde een briefje aan de poot van de duif met daarop de wanhopige boodschap: ‘We are along the road parallel to 276.4. Our own artillery is dropping a barrage directly on us. For heaven’s sake, stop it.’ Toen Cher Ami werd losgelaten, leek ook deze laatste poging te mislukken. Duitse soldaten openden direct het vuur en de duif werd in de borst geraakt. De vogel stortte neer. Maar tot verbazing van de soldaten steeg Cher Ami opnieuw op. Toen Cher Ami werd losgelaten, leek ook deze laatste poging te mislukken. Duitse soldaten openden direct het vuur en de duif werd in de borst geraakt. De vogel stortte neer. Maar tot verbazing van de soldaten steeg Cher Ami opnieuw op.

Een onverstoorbare oorlogsduif 
Ondanks zijn zware verwondingen vloog Cher Ami verder richting het Amerikaanse hoofdkwartier. In minder dan een halfuur legde de postduif ongeveer veertig kilometer af. Hij bereikte zijn bestemming met de boodschap nog altijd aan zijn lichaam bevestigd. Bij aankomst verkeerde de duif in kritieke toestand: hij had een schotwond in de borst, was blind geraakt aan één oog en verloor later een deel van zijn rechterpoot. Toch wist hij zijn missie te volbrengen. Kort na aankomst werd het Amerikaanse artillerievuur stopgezet. Van de ruim vijfhonderd mannen van het verloren bataljon wisten uiteindelijk ongeveer 194 soldaten levend terug te keren.

Als held ontvangen 
Cher Ami groeide uit tot een symbool van moed en doorzettingsvermogen. De Fransen onderscheidden de postduif met de Croix de Guerre, een belangrijke militaire onderscheiding. De Amerikaanse generaal John Pershing verklaarde later: ‘There isn’t anything the United States can do too much for this bird.’ Na de oorlog keerde Cher Ami samen met zijn trainer, kapitein John Carney, terug naar de Verenigde Staten. De duif overleed op 13 juni 1919 aan de gevolgen van zijn verwondingen. Zijn lichaam werd opgezet en kreeg in 1921 een plek in het Smithsonian Institution in Washington D.C., waar de beroemde oorlogsduif nog altijd te zien is.

X









BOER EN DOCHTER OOGSTEN

Ingekleurde versie

Upscaled

X

donderdag 7 mei 2026

VROUW IN DE HONDENKAR


GRAAN DORSEN

Graandorsen met een Claeys combine en een Massey-Ferguson met aanhanger.

Graan dorsen met een Claas combine.

KIENEN


X

DROOGTE 1947


Sommige mensen menen dat op een strenge winter een prachtige zomer moet volgen. In 1947 kregen die mensen gelijk. Die zomer brak alle records met een temperatuur gemeten op 27 juni van 38˚C. Er werden dat jaar in totaal 46 zomerse dagen (warmer dan 25˚C) en 16 tropische dagen (meer dan 30˚C) geregistreerd. De zomer in 1947 was de heetste van de twintigste eeuw. Het mooie weer bracht niet uitsluitend blijdschap. Voor de boeren was de droogte een ramp. De kleigrond droogde zodanig uit dat er een troosteloze vlakte met scheuren ontstond.

X

BOER GAAT HET VELD BEMESTEN


HANDKRACHT OP HET LAND

Waar geen paard voorhanden was, bracht (jeugdige) handkracht nog uitkomst.

BANDEN VAN DE FIETS TIJDENS DE TWEEDE WERELDOORLOG (FOTO 1944)

Ook een tuinslang kon als fietsband worden gebruikt.

In oorlogstijd was er enorme schaarste aan grondstoffen. Zo ging alle benzine naar de Duitsers en ook rubber was bijna niet te krijgen. Als het er al was, dan werd het vaak in beslag genomen. De voornaamste reden van de schaarste was, dat we niks meer over zee mochten importeren van de Duitsers. Zo kon er dus ook geen rubber meer verscheept en geïmporteerd worden. Vervoer was dus sowieso al heel erg lastig. Had je al een fiets, dan moest je ook oppassen, omdat deze zomaar gevorderd kon worden door een soldaat. Helemaal na 6 oktober 1944, want toen had Hitler ook nog eens het bevel gegeven om fietsen in beslag te nemen. De reden was om soldaten naar het front te krijgen, aangezien de Amerikanen en Engelsen steeds dichterbij kwamen. Door al deze schaarste moest je dus creatief zijn om te kunnen blijven fietsen. Als je fietsbanden versleten waren, waren er niet zoveel opties. Sommigen reden door op de stalen velg van de fiets, maar anderen vonden dit niet bepaald comfortabel rijden. Je kunt je voorstellen dat er toen nog niet zulke mooie fietspaden waren zoals we dat nu hebben en fietsen sowieso niet heel erg comfortabel was. Zo doende werden er houten banden gemaakt en werden daarop stukken van een oude autoband vastgemaakt om nog wat fijner te kunnen fietsen. Perfect was het niet, maar je hoefde in ieder geval geen banden meer te plakken. Wilde je toch iets meer vering, dan kon een stuk tuinslang uitkomst bieden. Wat ook veel werd gedaan was een wiel van een step monteren als voorwiel. Doordat dit er een beetje gek uitzag, wilden de Duitsers dit soort fietsen niet hebben. Dat was waarschijnlijk ook een reden dat velen dit soort oplossingen gebruikten als vervanging van fietsbanden in de oorlog.

X

ROGGESCHOVEN LADEN

Ingekleurde versie Upscaled X