maandag 24 november 2025

BOER PEER (2020-2017)


Boer Peer (In 2017 werd het laatst bij hem gefilmd, hij overleed dat jaar op 97-jarige leeftijd) woont al meer dan vijftig jaar alleen in zijn Brabantse boerderij. Peer leidt een leven zonder enige luxe. Met kromme rug en nog maar een paar koeien op stal boert hij stug door. In de buitenwereld heeft hij geen interesse. Filmmaker Daan Jongbloed volgt Peer acht jaar lang.

Een oude, gekromde boer trekt een kruiwagen door de sneeuw tegen een berg aarde op. Aan niets is te zien dat dit de eenentwintigste eeuw is. Peer Smulders leeft in het hier en nu alsof douche, tv, radio en koelkast nog niet uitgevonden zijn. Hij lijkt verdwaald in de verkeerde tijd. Filmer en regisseur Daan Jongbloed bezocht Peer Smulders in een periode van tien jaar en maakte opnamen van zijn sobere leven. Soms was hij welkom, soms kwam hij niet verder dan de deur. Peer Smulders is in juli dit jaar (2017) doodgereden in Rosmalen. Hij heeft de film nog net gezien, vertelt Daan Jongbloed bij Van Osch Films in Den Bosch, de producent van zijn documentaire. Hij zei dat hij hem mooi vond en leek zelfs trots. Ik vroeg hem of ik de film ook aan anderen mocht laten zien. Hij zei ja. Daar ben ik wel blij om." Peer Smulders woont al zestig jaar alleen in die oude boerderij die net zo worstelt met de tand des tijds als Peer zelf. Al die tijd is hij blijven werken, al is zijn bedrijf gekrompen. Ooit had hij paarden, varkens en koeien, nu alleen nog acht koeien voor de slacht. De film is sober en traag als de boer zelf, maar blijft boeien. We zien boer Peer in zijn alledaagse doen. De nieuwe tijd lijkt ver weg. Achter een rond uurwerk valt nog de omtrek van de oude hangklok op. Op een hoekje van het granieten aanrecht smeert de boer zijn brood. Het enige bewijs van het hier en nu is een plastic margarinekuipje. Oud en vervallen De woning is oud en vervallen. Peer ook, maar hij is nog sterk al eist de tijd en het vele werk zijn tol. ,,Mijn handen kunnen niet recht. Ze staan helemaal naar de steel van de schop", zegt hij.

X


HONDENKAR EN MOLENS


X

OP LOSSE GROEVEN OP VOLLE TOEREN (1971-1990)

Chiel Montagne en Mouth & MacNeal.

Op 29 april 1971, werd voor de eerste keer door de TROS het muziekprogramma ‘Op Losse Groeven’ uitgezonden. Vijftig minuten lang genieten van muziek van Nederlandse bodem onder aanvoering van de opvallend besnorde Chiel Montagne. Eenmaal per week ging Nederland ‘voor de buis uit de bol’, al gaf niemand volmondig toe het leuk te vinden of ernaar te kijken.


Chiel Montagne
Het is weinig programma’s gegeven om zich gedurende bijna 20 jaar lang onafgebroken op de televisie te handhaven met kijkcijfers, waarvan men tegenwoordig alleen nog maar kan dromen. Het lukte met het programma ‘Op losse Groeven’, later (in 1977) omgedoopt in ‘Op Volle Toeren’. Geestelijk vader van dit succesprogramma was Bert van Rheenen, beter bekend als Radio Veronica DJ Chiel Montagne. Nadat in de voorliggende jaren Nederlandstalige artiesten, zoals Heintje (Simons), de Heikrekels en Corry & de Rekels en, niet te vergeten, de Zangeres Zonder Naam, waren doorgedrongen tot de top van de hitlijsten was Chiel Montagne ervan overtuigd dat er voldoende animo zou zijn voor een muziekprogramma dat volledig was toegespitst op de eigen taal.

Hausse aan Nederlandse hits

Zijn gelijk was snel bewezen. Vanaf de eerste aflevering, op 29 april 1971, sloot Nederland de vriendelijke snorremans in de armen en met hem de artiesten die in zijn programma voorbijkwamen. Iedere week opnieuw bleek dat, zodra artiesten hadden opgetreden in ‘Op Losse Groeven’, zij met stip stegen in de Nederlandse Top-40. In het eerste jaar dat het programma werd uitgezonden zorgde het voor een hausse aan Nederlandstalige hits van onder andere Vader Abraham, Jacques Herb, Mieke Telkamp, de Zusjes de Roo, Wilma, de Gebroeders Brouwer en Herman van Keeken. En in de jaren daarna was het niet anders.

Buiten de maat

Natuurlijk had het succes van het programma alles te maken met de grote groep mensen die, als reactie op alle buitenlandse, en vooral Engelstalige hits, ook graag de eigen taal wilde horen. Daar kwam bij dat het programma met publiek werd opgenomen. En dan praat ik niet over zómaar publiek. Het publiek van Op Losse Groeven muntte uit in het meedeinen en vooral meeklappen met de muziek, waarbij dat laatste, tot mijn persoonlijke grote ergernis, te vaak búiten de maat gebeurde.

Drama’s

Het mocht de pret blijkbaar niet drukken want het geluk, zowel op het podium als op de tribune, droop van het scherm af, ondanks de vaak zwaar dramatische teksten van de liedjes. Manuela, Pappie loop toch niet zo snel, Ach Vaderlief toe drink niet meer… weinig leed bleef ons bespaard. Maar Chiel was niet kapot te krijgen. Hoe aangrijpender de tekst hoe meer zijn snor krulde van genoegen.

Geen algehele erkenning
Ondanks de indrukwekkende kijkcijfers zou ‘Op Losse Groeven’ toch nooit absolute erkenning krijgen, noch van het Nederlandse publiek, noch van veel Nederlandstalige artiesten. Dat laatste lag vooral aan het programma-format dat aanvankelijk geen podium bood voor progressievere Nederlandstalige muzikanten als Boudewijn de Groot, Peter Schaap en Bots. Hierdoor kon Op Losse Groeven nooit uitgroeien tot een algemeen Nederlandstalig muziekprogramma.

Op Volle Toeren
Toen men in 1978 het format enigszins aanpaste en de naam veranderde in ‘Op Volle Toeren’ lukte dat nog niet. Weliswaar vonden nu ook artiesten uit de kleinkunsthoek zoals Ramses Shaffy, Liesbeth List, Henk Elsink, Jules de Corte, Frans Halsema en Jenny Arean hun weg naar het programma, andere succesvolle groepen bleven weg. Dat had alles te maken met de opkomst in 1981 van de Nederpop-rage. De succesvolle bands van toen, zoals Toontje Lager, Doe Maar, de Frank Boeijen Groep en Het Goede Doel meden het programma, omdat zij het te oubollig vonden. Hierdoor kreeg Op Volle Toeren een nog meer nostalgisch en stamcaféachtig imago, en daarmee dat van het ideale platform voor het levenslied.

Iedereen keek, niemand gaf dat toe
Stond het programma ter discussie onder artiesten, bij de Nederlandse televisiekijkers was het niet anders. Het kijkerspubliek, hoewel blijvend groot, was niet openlijk wild-enthousiast. Nog sterker: In die tijd ontkende ongeveer iedereen waaraan je het vroeg dat ze naar Op Volle Toeren keken. Toch wezen de kijkcijfers anders uit. Het was echter een soort taboe om ervoor uit te komen dat je het programma leuk vond.

De successtory van Chiel Montagne en zijn programma duurde uiteindelijk tot het einde van de jaren tachtig. Toen begonnen de kijkcijfers structureel te zakken, wat er uiteindelijk toe leidde dat de TROS het programma in 1990 van de buis haalde.

Terugkijken
Hoe we nu terugkijken op ‘Op Losse Groeven’ en ‘Op Volle Toeren’? Ik denk dat de meningen nog altijd even verdeeld zijn als in de zeventiger en tachtiger jaren van de vorige eeuw. De een zal zoete herinneringen hebben aan al die vaderlandse meedeiners en tranentrekkers, de ander zal blij zijn dat die tijden achter ons liggen.

X


dinsdag 18 november 2025

KIND OP WEG NAAR HET VELD MET KNAPZAK EN WATERKAN 1948

Ingekleurde versie

X

WOLSPINSTER 1942

Upscaled

Op veel boerderijen was dit een heel gebruikelijk beeld, een vrouw achter het spinnewiel. Het spinnewiel stamt uit de twaalfde eeuw, eerst aangedreven met de hand, later aangedreven met de voet. Tijdens het spinnen werd de wol rondgedraaid, hierdoor ontstond een draad. Hoe sterker de wolvezel, des te dunner kon de draad gesponnen worden. Van de beste kwaliteit wol kon 200 kilometer draad uit één kilogram wol gesponnen worden. De gesponnen draden werden na het spinnen uitgekookt, om ze van het vet en vuil te ontdoen. Soms kregen de draden wol ook nog een verfbehandeling. Daarna konden de vrouwen zich aan het breien zetten.

X

PAARDENKRACHT (FOTO 1941)

Ingekleurde versie

In de tijd voor de mechanisering waren paarden onmisbaar bij het zware werk. Een boer met eigen paarden was toen een rijk man. De arme boeren 'leaseden' een paard in de zomermaanden, als het nodig was. Zo konden ze onderling de kosten delen en stond het dure paard niet te lang op stal of in de wei als er geen werkzaamheden voor waren.

X

zondag 16 november 2025

GRAAN BEWAREN IN GRAANMIJT 1957

Een graanmijt bouwen, gebeurde soms ‘uit de losse hand’ maar soms ook rond een paal. De mijt kon overal worden opgezet, in tegenstelling tot een kapberg die een vaste plek had.


Graan bewaren is precisiewerk. Vroeger werden 'schelven' graan in zaadberen gelegd. Tegenwoordig ligt het graan in bewaarplaatsen waar eventueel belucht kan worden. Computers en allerlei geavanceerde meetapparatuur helpen de boer om de kwaliteit tiptop te houden. Vroeger ging het meer op het oog en met tanden en nagels. Als graankorrels tussen tanden en nagels niet meer fijn te drukken waren, werd het gewas droog genoeg geacht om te oogsten. Met sikkel en zicht gingen de halmen omver waarvan ze rechtop ‘op schoven’ of ‘op schelven’ werden gezet. Zo werden de aren droog gehouden of, indien nog niet droog genoeg, nagedroogd. En dan kwam het proces van opladen en opbergen. Ook dat was handwerk en dat bleef het voor veel boeren tot een flink eind na de Tweede Wereldoorlog. Het neerleggen van de schelven in speciale zaadbergen of zaadmijten zoals op de foto, moest zo gebeuren dat de halmen in het midden hoger kwamen te liggen dan de uiteinden. Regen droop er dan aan de zijkanten af. Dat voorkwam niet helemaal dat de buitenste laag nat werd. Van bovenaf kon er meestal toch regen in. Sommige boeren legden daarom bovenop de top nog een dikke laag stro of een dekkleed van jute. De zo gebouwde graanmijten bleven de hele winter op het land staan. Wanneer er tijd was om te dorsen, haalde men er schoven uit.

X

BOER EN PAARD DRINKEN WATER UIT EEN EMMER UIT DE SLOOT

Ingekleurde versie

X

zaterdag 15 november 2025

LANDSCHAP


X


MAASMECHELEN (MECHELEN A/D MAAS) HEIRSTRAAT - KOEN HEUTS

Ingekleurde versie


Met zijn enorme wenkbrauwen, grijze snor en diep gerimpeld aangezicht doet Koen Heuts (1903-1988) een beetje aan Stijn Streuvels denken. Die gelijkenis beperkte zich niet alleen tot het uiterlijk. Zoals de illustere Vlaamse prozaschrijver was ook Koen verbonden met de natuur, het landschap en het boerenleven. Die verbondenheid kende haar hoogtepunt tijdens zijn verblijf van meer dan drie jaar in Belgisch Kongo. Het leven in de wildernis met haar enorme dierenpracht zou Koen heel zijn verder leven bijblijven. De liefde voor de natuur - ontzaglijk veel uren, zowel 's zomers als 's winters dwaalde hij in de Mechelse bossen - samen met zijn aandachtige waarneming van de mens, maakte van Koen een boeiend verteller, een dorpsfilosoof die met een beeldend dialect en veel zin voor humor over Mechelen en zijn Mechelaren kon vertellen.

X



vrijdag 14 november 2025

WATERSCHAARSTE 1947

Door het prachtige weer in 1947 met hoge temperaturen en weinig neerslag was de verdamping groot en namen de droogteproblemen steeds ernstiger vormen aan. Het waterpeil daalde dramatisch. Het gras verdorde en de boeren konden hun vee nauwelijks genoeg laten drinken. Er viel zo weinig regen, dat her en der een tekort aan drinkwater ontstond. Op plaatsen waar onvoldoende drinkwater beschikbaar was, werd water aangevoerd met tankwagens. De mensen stonden met zinken emmers in de rij om water te halen.

X

KOE MELKEN ROND DE JAREN '50

Ingekleurde versie


X













WARM BIJ DE SCHOUW 1937



De schouw was het belangrijkste deel van het huis. Hier was het aangenaam, dicht bij het vuur. De schouw is zo groot dat je er gemakkelijk in kon zitten met meerdere mensen tegelijk. De achterwand van de schouw is betegeld met diverse tegeltableaus. De vrouw bakt pannenkoeken in een koekenpan met een heel lange steel. Die werd vooral gebruikt op open houtvuren.

X

BOER EN PAARD MET KAR


X

donderdag 13 november 2025

DE TIJD VAN TOEN: DE STOOMTRAM (MOL, TOEN MOLL)

Deze foto is uit Mol (toen Moll)

De gewone treinen stopten aan alle vaste halten. Aan de halten op verzoek werd gestopt, wanneer er om verzocht werd. Het was de machinist ten strengste verboden voorbij een vaste halte te rijden zonder te stoppen. Uitzondering werd gemaakt voor de bijzondere treinen en goederentreinen waarvoor speciale dienstbevelen de stilstanden aanwezen. Het teken van vertrek - een langgerekte matige toon op de hoorn - werd gegeven door de treinoverste nadat hij er zich degelijk van vergewist had dat iedereen in- of uitgestapt was. De machinist herhaalde het gegeven sein met een enkele duidelijke toon op de hoorn of met een korte stoot met de stoomfluit. Bij het naderen van een "facultatieve" halte of halte op verzoek moest de machinist vertragen en eventueel zijn trein stoppen, wanneer reizigers teken deden om op te stappen. Dit teken werd overdag gegeven met een rode vlag en bij duisternis door een rode lantaarn. Tevens moest de machinist door tweemaal te fluiten of te bellen aan de treinoverste vragen of er reizigers moesten afstappen. Indien deze niet antwoordde moest hij de trein laten stoppen. Zo de treinoverste op de hoorn blies mocht hij doorrijden.
De vaste halten werden in de beginperiode aangeduid met een houten bord op een paal met de naam van de "statie" of alleen de melding "Treinstilstand - arrêt du train". Vanaf 1898 werden de halteborden vervangen door sierlijke gietijzeren borden. De halten op verzoek werden aangeduid met platen "wordt alleen stilgehouden op vertoon van de roode vlag - arrêt sur présentation du drapeau rouge". Zowel de vaste halten als de halten op verzoek waren doorgaans gelegen aan bekende afspanningen, hotels of herbergen, zodat menige uitbater van deze instelling al vlug een uithangbord plaatste met als benamingen "De tramstatie", "In de tramstatie", "In den tramhalt", "In de wachtzaal van den tram" enz.
De snelheid van de stoomtrams was beperkt tot 30 km/h buiten de bebouwde gedeelten en tot 10 km/h bij het doorrijden van steden, dorpen en gehuchten. De machinist moest eveneens zijn trein vertragen of zelfs geheel laten stoppen wanneer de baan belemmerd was en telkens als het naderen van de trein aanleiding kon geven tot ongevallen, bijvoorbeeld door het schrikken van paarden of andere dieren. Aan de in- en uitrit van bepaalde spoorbaangedeelten die niet toegankelijk waren voor het publiek stond een bord met de volgende tekst: "Verboden op den spoorweg te gaan - Défense de circuler sur la voie".
De begoede burgerij, die een eerste klasse-biljet kon betalen, zat vrij comfortabel op de met kussens beklede banken. Jan met de pet moest vrede nemen met houten banken in het tweede klasse-rijtuig.
De verlichting in de rijtuigen gebeurde met petroleumlampen. Tijdens de winter werden de rijtuigen verwarmd. Hiervoor waren er verschillende systemen. Het meest gebruikt werd de kleine zwarte kachel of "Het Duveltje", geplaatst in een hoek van het rijtuig. Tijdens de reis waren de treinoverste en de ontvangers belast met het onderhoud van deze kacheltjes. Zij moesten nazien of de kacheltjes goed bleven branden en of de warmte in de rijtuigen gematigd was. In de stations gaf de treinoverste de nodige bevelen aan het werkvolk, om vóór het vertrek van de treinen en tijdens de stilstand, de kacheltjes goed te onderhouden en na te kijken. Zij moesten vooral letten op het wegruimen van de asse, de afval van kolen of andere stoffen op en rond de kachel. Dit om alle brandgevaar te vermijden. 
Uit zuinigheidsoverwegingen werden tramlijnen veelal pal naast de weg aangelegd en wisselden nogal eens van wegkant; (ook) daarom werd er veel geclaxonneerd door de trams. Maar er waren ook delen die dwars door de velden gingen, tussen huizen door, om dorpen heen, door dorpen heen, via tramtunnels of een trambrug, over een smalle rand naast een ravijn, enz. Als er geen vrije baan aan de zijkant was lag het spoor meestal in het midden of aan één kant van de straat. Spookrijden tegen het autoverkeer in was dan ook héél gewoon. 

X

ROGGESCHOVEN LADEN

Ingekleurde versie Upscaled X