donderdag 30 april 2026
HET DORPSLEVEN
WIM SONNEVELD - HET DORP 1966 (COVER) + JEAN FERRAT - LA MONTAGNE 1964 (ORIGINEEL)
Het dorp (langs het tuinpad van mijn vader)
Het dorp, ook wel bekend onder de titel Langs het tuinpad van mijn vader, wordt door Wim Sonneveld voor het eerst gezongen in zijn tweede onemanshow in 1966. Hoewel Het dorp aanvankelijk gematigd positief wordt ontvangen en zowel in 1970 als in 1972 op single wordt uitgebracht, wordt het pas na het overlijden van Sonneveld in 1974 voor het eerst een bescheiden hit. In de decennia die volgen groeit het lied echter uit tot een ware evergreen die in het collectieve geheugen zit. Het dorp is hét lied van Wim Sonneveld. Het dorp is een tijdloze klassieker die echter wel tijd nodig had om een klassieker te worden. Volgens Friso Wiegersma, verantwoordelijk voor de tekst, had dat mede te maken met de tijd waarin het gemaakt is. In de jaren zestig zat Nederland volop in de fase van opbouw waarin dorpen en steden werden gemoderniseerd en de teloorgang van een dorp geen onderwerp van gesprek was. Als vele jaren later het ‘gevoel voor milieu en nostalgie’ gaan ontstaan komt het lied onder de aandacht en wordt het alleen maar populairder.HET DORP, IK WEET NOG HOE HET WAS (FOTO: OOGSTEN)
woensdag 29 april 2026
dinsdag 28 april 2026
DENDERLEEUW: MAMMOET-SLAGTANDEN 2026
Bijzondere vondst op het Dorp: mammoet-slagtanden en kiezen gevonden op werf.
De slagtanden en de kiezen werden per toeval gevonden tijdens het graven van een funderingsput. Op het moment dat de aannemer de tanden gevonden had, was SOLVA bezig met archeologische opgravingen rechtover de ingang van het Administratief Centrum op het stuk van de gemeente. Daardoor kon SOLVA meteen overgaan tot conservatie. De tanden moeten namelijk zorgvuldig bewaard worden. Tijdens de conservatie worden de vondsten zeer traag gedroogd en behandeld zodat ze tegen de blootstelling aan de lucht en de bacteriën kunnen. Er wordt samen met de huidige eigenaar Bopro naar een oplossing gezocht waarbij de vondsten permanent kunnen tentoongesteld worden na de conservatie.
AARDAPPELEN ROOIEN
zondag 26 april 2026
BOER EN PAARD
zaterdag 25 april 2026
ZEEWIER, GROENTE VAN DE TOEKOMST
Jan Kruijsse vist niet op mossel of haring, hij ‘vangt’ zeewier in de Oosterschelde. Dat verkoopt hij aan restaurants, vishandels en voedingsbedrijven. Wij gingen mee zeewiervissen en vroegen Jan waarom zeewier hét voedsel van de toekomst is.
LEIDINGWATER OPHALEN IN HET CENTRUM AAN DE STADSPOMP
LUMMEN - KINDEREN OP WEG NAAR HUIS NA EEN SCHOOLDAG 1918
vrijdag 24 april 2026
HANDMELKEN
AARDAPPELEN OOGSTEN MET DE HAND 1939
Nooit was vroeger het schoolverzuim zo hoog als in de aardappeltijd. Ouders en kinderen, iedereen zat op het land.
Hoewel, helemaal met hun blote handen ging het misschien ook weer niet. Er waren streken waar men aardappelkrabbers, ook wel pijpenkoppen genoemd. Dit waren een soort puntige vingerhoedjes die de vingers beschermden tegen scherpe voorwerpen in de grond. Helemaal op percelen waar straatafval als bemestingsmateriaal werd gebruikt, was dat geen overbodige luxe. Dat afval bestond namelijk niet alleen uit organische restanten, er zat soms ook glas tussen, potscherven en wat dies meer zij. Handmatig oogsten was tot in de jaren 50 heel gewoon, ook al waren er toen inmiddels rooimachines. Niet elke boer kon zich die echter veroorloven en de machines waren ook niet erg geschikt voor kleinere percelen. En aangezien iedereen wel een lapje aardappelen had, kwamen die kleine stukjes veel voor.
X
OUDE AMBACHTEN: KOPIIST
De uitvinding van de boekdrukkunst heeft ervoor gezorgd dat we bijna nooit meer teksten over hoeven te schrijven. Dit was in de middeleeuwen wel anders. Men moest met een schrijfveer teksten overschrijven en vertalen. Een kopiist is een beroep, dat nu niet meer bekend is, maar een paar eeuwen geleden onmisbaar was.
In de middeleeuwen kostte het veel tijd om boeken te maken. Voordat het papier werd uitgevonden, werden boeken op perkament gedrukt. De perkamentmaker maakte er mooie en blanke vellen van, waaruit schrijfvellen werden gesneden. Er werd belijning aangebracht zodat de kopiist mooie recht lopende regels kon schrijven. Vervolgens werden er gaatjes in het perkament geprikt en werden er met een puntig voorwerp, horizontale en verticale lijnen gemaakt. Daarna schreef de kopiist de boeken en teksten over. Het beroep kopiist was in de tiende en elfde eeuw een bekend middeleeuws beroep. Omdat het vooral geestelijken waren, die leerden lezen en schrijven, was de kopiist vaak monnik en schreef de kopiist vooral religieuze teksten over.
Nauwkeurig
Het overschrijven van teksten was een nauwkeurig werkje. Soms kon het voorbeeld precies overgeschreven worden, maar veel vaker was dat niet het geval. Het voorbeeldboek had bijvoorbeeld een ander formaat en indeling dan de kopie. Er moest daarbij rekening worden gehouden met waar de titels van de hoofdstukken geplaatst werden, maar ook welke tekstgedeelten met initiaal versierd moesten worden. Bij het kopiëren van de teksten werd er dus goed gekeken naar de vormgeving. Daarnaast werd er geschreven met een veer die regelmatig bijgesneden moest worden. Behalve dat het een baan was waar veel aandacht voor nodig was, was het ook zwaar werk. Zo moesten kopiisten urenlang schrijven, vaak staand en bij weinig licht, waardoor zij een slechte houding kregen en hun zicht verminderde
Scriptorium
Een kopiist werkte in een scriptorium. De naam is afkomstig van het Latijnse woord ‘scribere’ wat schrijven betekent. Het scriptorium was een ruimte in een klooster waar monniken teksten en boeken vertaalden en overschreven. Het scriptorium werd ook wel ‘schrijfkamer’ genoemd. Tot de elfde eeuw vond het vervaardigen van handschriften met name in kloosters plaats. Vanaf de dertiende eeuw werkten beroepskopiisten ook vanaf kathedraalscholen en universiteiten.
![]() |
| Scriptorium |
Uniek
Elk exemplaar dat de kopiist schreef werd gezien als uniek. Een kopiist had vaak een eigen schrijfstijl en soms werden teksten verkeerd geïnterpreteerd of werden er vergissingen gemaakt. Dit kwam doordat kopiisten lange dagen maakten, waardoor vermoeidheid voor fouten zorgde. Maar een kopiist maakte soms ook bewust aanpassingen aan een tekst, om aan de eisen en smaak van de opdrachtgever te voldoen. Zo werd moeilijke taal aangepast en werden onduidelijke begrippen vervangen of weggehaald. Hierdoor is er niet echt meer te spreken van het kopiëren van een tekst, maar meer van het compleet herzien van een tekst. Vele auteurs verweten het daarom kopiisten om op deze manier teksten over te schrijven.
Wanneer verdween het beroep?
De vraag naar teksten nam vanaf de veertiende eeuw steeds meer toe, van zowel de kloosters als de samenleving. Voor kopiisten was de vraag te groot om het bij te houden. Toen de boekdrukkunst rond 1450 haar intrede deed, werd het beroep van kopiist daardoor steeds minder belangrijk. Met een drukpers kon in een fractie van de tijd een veel groter aantal kopieën worden gemaakt. Dat kon vaak nog goedkoper ook, waardoor de kopiisten op den duur overbodig werden.
X
OUDE BEROEPEN: ZAKKENDRAGER
Goederen kunnen nu makkelijk verplaatst worden zonder iemand al te veel moet tillen. Vorkheftrucks, pompkarren en allerlei andere vindingen zorgen ervoor dat grote spullen worden opgestapeld, in- of uitgeladen en verplaatst. Dat was een paar eeuwen geleden wel anders. Veel spullen werden toen verplaatst met de hand. Grote zakken meel, graan en andere goederen werden verplaatst op de sterke ruggen van de zakkendragers.
HET VERDWENEN BEROEP VAN DE MARSKRAMER
HONDEN OP HET ERF EN OP HET PLATTELAND
Wie vandaag het woord ‘hondenkar’ opzoekt, krijgt meteen verschillende beelden van de meeste diverse fietsaanhangwagentjes om honden te vervoeren. Wie beelden zoekt met dezelfde term die 100 jaar oud zijn, krijgt een volledig ander resultaat: karren gevuld met melkbussen getrokken door honden onder begeleiding van jonge meisjes en jongens. Het woord hondenkar onderging een verschuiving van betekenis: van het trekdier dat voor de kar liep tot het huisdier dat in de kar zit.
Boerderijhond
Oorspronkelijk waren huisdieren hoofdzakelijk dieren die nuttig waren op een boerderij, zoals katten die muizen moesten vangen. Honden konden op een boerderij meteen voor meerdere zaken ingezet worden. Ze bewaakten het erf, niet alleen tegen menselijke indringers, maar beschermden ook het vee tegen wilde dieren zoals vossen en marters. Net zoals katten jaagden sommige honden op ongedierte zoals ratten en muizen. Daarnaast hielp de boerderijhond ook de boerin: door als ‘boterhond’ in de tredmolen te lopen bij het maken van boter of door als trekhond lasten te vervoeren. De hondentredmolen mag samen met de wanmolen als één van de eerste uitingen van mechanisering op de boerderij worden beschouwd. Hij werd bijna uitsluitend gebruikt voor het karnen van de melk tot boter. Maar er zijn ook constructies bekend waarmee water werd opgepompt, zaagmachines werden aangedreven of zelfs ijzer gesmeed. In de periode tussen 1880-1910 was de hondentredmolen een veel voorkomend verschijnsel. Op dat moment verliep de boterverwerking bij de kleine boer immers nog grotendeels op de boerderij. Een bijzonder type van boerderijhond was de herdershond. De herdershond was getraind om schapen te hoeden. De hond kreeg bevelen van de herder via de stem, fluitsignalen en gebaren. Een hond opleiden tot herdershond kon wel tot drie jaar duren.
Hondenkarren in het straatbeeld
Tot aan het begin van de 20ste eeuw waren karren die door honden werden getrokken vaak in steden en dorpen te zien. België was trouwens het land dat het meeste aantal hondenkarren telde. Rond 1900 werd hun aantal op liefst 150.000 geschat. Ze werd vaak gebruikt door melkmeisjes en –jongens die met melk rondgingen. De zware melkbussen waren geplaatst op de hondenkar. Ook handelaars maakten gebruik van de hondenkar: marktkramer, groenteboer, bakker en zelfs de mosselman en petroleumverkoper. Landarbeiders en kleine boeren gebruikten trekhonden om naar de markt, de molen of de melkerij te gaan. Voor het echte werk op het land gebruikten ze een kruiwagen, eventueel met een hond aan de ketting voor extra trekkracht.
Een klein paard
De honden werd ingespannen met een borsttuig en een hondengareel, beide te vergelijken met een paardengareel. Bij zwaardere lasten werden tot wel vijf trekhonden ingeschakeld. Ze liepen allemaal naast elkaar. Voor het trekken werden verschillende sterke hondenrassen gebruikt. Er waren pogingen om een ideaaltype trekhond te fokken. Rond de jaren 1900 werd zelfs de federatie voor de Belgische trekhond opgericht. Het resultaat was de Belgische mastiff (mâtin belge), verwant aan de Franse mastiff. Opvallend is dat met het verdwijnen van de hondenkarren in de jaren 1950 ook de Belgische mastiff verdween. Dit hondenras werd niet langer als huisdier gehouden. Voor vele landarbeiders was de trekhond het ‘paard van de armen’. Ze waren goedkoop, zowel in aanschaf als in onderhoud. Ze aten tafelrestjes of slachtafval en hadden betrekkelijk weinig plaats en verzorging nodig. Honden en hun karren waren veel kleiner dan door het paard getrokken voertuigen en dus wendbaarder en veel handiger.
Protest en bescherming
In de Lage Landen was Nederland voorloper op het vlak van dierenwelzijn. Vanaf 1900 kwam er in toenemende mate protest tegen het gebruik van trekhonden en hondenkarren. De Nederlandse trekhondenwet van 1910 legde enkele regels op om het dierenwelzijn te verbeteren. In België kwam er geen algemene trekhondenwet. Wel waren er allerhande wettelijke bepalingen, zoals een verplichte drinkbak en rustplank en een verbod op het gebruik van een zweep. De regels verschilden van plaats tot plaats en werden op het platteland minder strikt nageleefd. Vanaf het interbellum en na de Tweede Wereldoorlog werden echter steeds minder trekhonden gebruikt. De introductie van de verbrandingsmotor en de toegenomen welvaart maakten hondenkarren stilaan overbodig. Op gemeentelijk niveau had de Belgische trekhond rond 1950 zo goed als afgedaan.
Honden(karren) vandaag
Trekhonden zijn vandaag zelden nog te zien. De Vlaamse Trekhondenvereniging ‘Met hond en kar’ is de enige amateurgroep die in België toestemming heeft om met trekhonden karren te trekken. Ze stellen expliciet “om deze traditie in stand te houden voor folkloristische doeleinden”. Honden worden vandaag niet zozeer meer gehouden vanuit praktische overwegingen maar vooral als betrouwbaar gezelschapsdier. Dierenrechten zijn een belangrijk thema geworden in de 21ste eeuw. Toch worden honden nog functioneel ingezet: denk maar aan reddingshonden, politiehonden, assistentiehonden, herdershonden en waakhonden.
X
donderdag 23 april 2026
OUDE BEROEPEN: LINNEN KAMMERS (FOTO 1900)
RUNDEREN NA DE EERSTE WERELDOORLOG 1919
OMA'S OP HET VELD
woensdag 22 april 2026
-
WALTER ARFEUILLE (HET BEEST): HIJ TROK OOIT TREINEN EN PLOOIDE IJZEREN STAVEN EN MEER VAN DIE SPECTACULAIRE DINGEN MET ZIJN TANDEN. HET LEVE...
-
Het dorp (langs het tuinpad van mijn vader) Het dorp , ook wel bekend onder de titel Langs het tuinpad van mijn vader , wordt door Wim Sonn...
























.jpg)
























