donderdag 30 april 2026

HET DORPSLEVEN


Het dorp van vroeger is niet meer, met typische dorpsfiguren als de smid, de boer, de kleine kruidenier, maar ook over de zandweg tussen het koren door, het dorpscafé, de dorpsdrama’s, de dorpspolitiek en andere typische dorpse fenomenen en aangelegenheden.

BAKKERSKNECHT 1933


X

WIM SONNEVELD - HET DORP 1966 (COVER) + JEAN FERRAT - LA MONTAGNE 1964 (ORIGINEEL)


Het dorp (langs het tuinpad van mijn vader)

Het dorp, ook wel bekend onder de titel Langs het tuinpad van mijn vader, wordt door Wim Sonneveld voor het eerst gezongen in zijn tweede onemanshow in 1966. Hoewel Het dorp aanvankelijk gematigd positief wordt ontvangen en zowel in 1970 als in 1972 op single wordt uitgebracht, wordt het pas na het overlijden van Sonneveld in 1974 voor het eerst een bescheiden hit. In de decennia die volgen groeit het lied echter uit tot een ware evergreen die in het collectieve geheugen zit. Het dorp is hét lied van Wim Sonneveld. Het dorp is een tijdloze klassieker die echter wel tijd nodig had om een klassieker te worden. Volgens Friso Wiegersma, verantwoordelijk voor de tekst, had dat mede te maken met de tijd waarin het gemaakt is. In de jaren zestig zat Nederland volop in de fase van opbouw waarin dorpen en steden werden gemoderniseerd en de teloorgang van een dorp geen onderwerp van gesprek was. Als vele jaren later het ‘gevoel voor milieu en nostalgie’ gaan ontstaan komt het lied onder de aandacht en wordt het alleen maar populairder.
Toen Sonneveld aan Wiegersma vroeg een vertaling te maken van het chanson La montagne van de Franse zanger Jean Ferrat verwerke hij zijn gedachten over de teloorgang van de dorpse elementen in dit lied. Ferrat had zich voor La montagne laten inspireren door het landschap rond Antraigues-sur-Volane in de Ardèche. Het lied ging over Franse bergdorpen die steeds meer door de bewoners werden verlaten. Omdat La montagne vanwege het ontbreken van bergdorpen in Nederland niet letterlijk kon worden vertaald verwerkte Wiegersma zijn ideeën over de teloorgang van dorpse elementen in zijn geboortestreek. Sonneveld ging na het lezen van de tekst meteen om en Het dorp werd één van de liedjes die hij het liefst zong.
Het dorp gaat over het Brabantse Deurne, het geboortedorp van Wiegersma. Het overheersende gevoel in het lied is dat vroeger alles beter was. Het dorp dat wordt bezongen heeft te maken gekregen met een niet te stoppen vooruitgang. Telkens als Wiegersma bij zijn ouders in het dorp terugkwam zag hij dat typisch dorpse elementen verdwenen waren. Een gegeven dat actueel blijft en bij veel mensen tot de verbeelding spreekt omdat nergens de tijd echt stilstaat. In 2008 krijgt het pad naast het ouderlijk huis in Deurne officieel de naam ‘Het tuinpad van mijn vader’. In het geboortehuis van Wiegersma aan de Oude Liesselseweg 29 in Deurne is het gemeentemuseum De Wieger ondergebracht.
Het dorp is inmiddels uitgegroeid tot een ware evergreen. Vanaf de allereerste editie van de NPO Radio 2 Top 2000 in 1999 staat het lied genoteerd, schommelend tussen de 25ste (in 2020) en 69ste (in 2012) positie. Radio 5 stelt sinds 2008 jaarlijks een Evergreen Top 1000 samen. In de editie voor 2019 staat Het dorp voor de negende maal bovenaan die lijst. 

Deze video van de originele versie dateerd uit 1967 (het nummer werd uitgebracht in 1964)

La Montagne (Het gebergte) is een van de bekendste liedjes van de Franse chansonnier Jean Ferrat (1930-2010). Hij schreef het lied in 1964 en liet zich hierbij inspireren door het landschap rond Antraigues-sur-Volane in de Ardèche, waar hij sinds datzelfde jaar woonde. In het lied beschrijft Jean Ferrat het vertrek van jonge mensen naar de grote steden, ver van hun geboortegrond: "Ils quittent un à un le pays/pour s'en aller gagner leur vie/loin de la terre où ils sont nés". Ze gaan op zoek naar spanning, feesten en de bioscoop, en in die grote steden slijten ze vervolgens hun leven als ambtenaar of politieagent in hun flats in de grijze nieuwbouwwijken, en eten ze kip vol hormonen: "Leur vie ils seront flics ou fonctionnaires/..../Il faut savoir ce que l'on aime/Et rentrer dans son H.L.M./Manger du poulet aux hormones". Het leven van de oude mensen in de dorpen vinden ze saai. In het refrein beschrijft Jean Ferrat dat het gebergte toch heel mooi is: "Pourtant que la montagne est belle", en hij vraagt zich af hoe iemand bij het zien van een zwerm zwaluwen die in de herfst naar het zuiden richting Afrika vliegt, zich kan voorstellen dat de herfst al begonnen is: "Que l'automne vient d'arriver", omdat het gebergte ook in de herfst en winter zo prachtig is, en niet saai.[1] Een andere interpretatie zou kunnen zijn dat Jean Ferrat waarschuwt dat alhoewel het gebergte toch zo mooi is: "Pourtant que la montagne est belle", niemand doorheeft dat ondanks de zwerm zwaluwen die men ziet vliegen (wat niet alleen in de herfst maar ook in de lente of de zomer plaats vindt, de hoogtijdagen van de streek), de zwaluwen verwijzen naar de herfst als metafoor voor het verval: "Comment peut-on s'imaginer/En voyant un vol d'hirondelle/Que l'automne vient d'arriver?". Friso Wiegersma schreef op dezelfde melodie het Nederlandse lied Het dorp, waarmee zijn levenspartner Wim Sonneveld vervolgens een groot succes behaalde.



HET DORP, IK WEET NOG HOE HET WAS


X

HET DORP, IK WEET NOG HOE HET WAS (FOTO: OOGSTEN)


Wie ouder is dan veertig associeert 'Het dorp, ik weet nog hoe het was' wellicht meteen met de hit van de Nederlandse cabaretier Wim Sonneveld uit 1974. In het liedje blikt 'iemand' nostalgisch terug op zijn geboortedorp waar het lokale karakter en de vertrouwde traditionele leefwereld door modernisering en commercialisering aan het verdwijnen zijn. Dat het nogal melige nummer – een cover van een liedje van de Franse chansonnier Jean Ferrat maar voorzien van een eigen, Nederlandse tekst − uit het begin van de jaren zeventig stamt is niet toevallig. Die periode wás ook het einde van het oude platteland en van het klassieke concept van de dorpsgemeenschap.

X

dinsdag 28 april 2026

DENDERLEEUW: MAMMOET-SLAGTANDEN 2026



Bijzondere vondst op het Dorp: mammoet-slagtanden en kiezen gevonden op werf.

Tijdens graafwerken voor een ondergrondse parking in het dorpscentrum van Denderleeuw, werden twee slagtanden en enkele kiezen van een mammoet blootgelegd. De mammoettanden zijn vlakbij elkaar gevonden op een diepte van maar liefst 7 meter.


De slagtanden en de kiezen werden per toeval gevonden tijdens het graven van een funderingsput. Op het moment dat de aannemer de tanden gevonden had, was SOLVA bezig met archeologische opgravingen rechtover de ingang van het Administratief Centrum op het stuk van de gemeente. Daardoor kon SOLVA meteen overgaan tot conservatie. De tanden moeten namelijk zorgvuldig bewaard worden. Tijdens de conservatie worden de vondsten zeer traag gedroogd en behandeld zodat ze tegen de blootstelling aan de lucht en de bacteriën kunnen. Er wordt samen met de huidige eigenaar Bopro naar een oplossing gezocht waarbij de vondsten permanent kunnen tentoongesteld worden na de conservatie.

7 meter diep
 De diepte waarop de vondsten zitten, wordt nog maar zelden bereikt door werkzaamheden. De meeste mammoetvondsten gevonden werden tijdens het rechttrekken van rivieren of het uitgraven van havendokken, waardoor de vondstomstandigheden niet altijd duidelijk zijn. Daarnaast maakt het feit dat de skeletresten van Denderleeuw mogelijk afkomstig zijn van hetzelfde dier de vondst bijzonder.

Wolharige mammoet 
De vondsten zijn voorlopig nog moeilijk exact te dateren, hiervoor is nog verder wetenschappelijk onderzoek nodig”, vertelt Bart Cherretté, coördinator onroerend erfgoed van SOLVA. “De twee slagtanden en de kiezen zijn waarschijnlijk afkomstig van een wolharige mammoet (mammuthus primigenius), een reus die in onze streken tijdens de laatste ijstijd leefde tussen 130.000 en 12.000 jaar geleden. Op basis van gelijkaardige vondsten zijn deze resten voorlopig tussen 40.000 en 30.000 jaar oud te dateren.” Tijdens deze fase van de ijstijd vormden de Dender en de Schelde een zeer brede en diepe vallei, waarin de rivieren nog geen vaste bedding hadden. “Doordat de ondergrond zeer vaak bevroren is (permafrost) wijzigt de loop van de rivieren regelmatig waardoor een ‘vlechtend rivierstelstel’ ontstaat. Verschillende rivierarmen wateren daarbij in de breedte af in plaats van in één diepe rivierbedding, zoals nu het geval is. Perioden van hevige regenval of grote hoeveelheden smeltwater sleurden op die manier karkassen mee die overal op de toendra achter bleven. In uitzonderlijke gevallen, zoals wellicht in Denderleeuw, is het skelet van een mammoet niet verplaatst door rivieren, maar (deels) ter plaatse blijven liggen en bedekt met zand en leem tijdens de ijstijd”, aldus Bart Cherretté.

X





PAARD EN 3 KINDEREN OP DE FOTO 1949


X

AARDAPPELEN ROOIEN


Seizoenswerk voor mannen, vrouwen en kinderen; zeker tot aan de jaren dertig van de 20ste eeuw. Na het werk tijdens en na de graanoogst trokken in de herfst hele gezinnen naar het aardappelveld. De kleinste kinderen werden op een beschutte plek neergelegd en de anderen pakten een korf en gingen op de knieën. En dat van 's morgens zeer vroeg tot vaak zonsondergang.

X

TWEESPAN EN EEN VEULEN STAAN KLAAR OM DE AARDAPPELOOGST TE VERVOEREN 1945



WATER SCHEPPEN UIT DE PUT 1937


X

HOGE KIEPKAR 1959


X

zaterdag 25 april 2026

ZEEWIER, GROENTE VAN DE TOEKOMST



Jan Kruijsse vist niet op mossel of haring, hij ‘vangt’ zeewier in de Oosterschelde. Dat verkoopt hij aan restaurants, vishandels en voedingsbedrijven. Wij gingen mee zeewiervissen en vroegen Jan waarom zeewier hét voedsel van de toekomst is.


Hoe oogst je zeewier? 
Ik verzamel wieren bij laagwater op verschillende plaatsen in de Oosterschelde, met vissersdorp Yerseke als uitvalsbasis. Ik snij de wieren los met een mes. Handwerk dus. Ik snij één derde van de plant af. De rest laat ik staan. Zo groeit de plant weer aan. De zeewieren die ik verzamel, groeien niet allemaal op dezelfde plek. Ik ben vaak op pad van het ene gebied naar het andere om verschillende wieren te verzamelen. Ik moet ook rekening houden met de getijden. Elke werkdag is daarom anders. Soms begin ik al om halfvijf ‘s ochtends. Binnenkort ga ik ook de zee op. Ik heb een mosselboot gekocht en omgebouwd tot een boot waarmee ik zeewier op grotere diepten kan oogsten. Een stalen kor rijdt over de bodem. Er zit een mes op gemonteerd dat de wieren een tiental centimeter boven de bodem afsnijdt.

Hoeveel zeewier haal je dagelijks boven?
 Een paar honderd kilogram. Dat hangt eigenlijk af van welk wier ik moet oogsten. De visboeren bestellen voor 6u ‘s ochtends. De restaurants iets later. Rond de middag ligt de oogst al bij de klanten. Ik heb zelf ook een bassin waarin ik zeewier enkele dagen vers kan houden, maar ik probeer niet te veel te oogsten.

Zijn alle zeewieren eetbaar? 
Er komen 153 soorten zeewieren voor in de Oosterschelde. Die zijn allemaal eetbaar, maar ik kan niet meer dan zes wieren leveren. De rest komt in te kleine hoeveelheden voor en laat ik liever met rust. Er zijn winterwieren en zomerwieren. De zomerwieren roodhoorntjeswier, viltwier en zeesla zijn zachter en zoeter. In de winter oogst ik wakamé en Japans bessenwier. Die zijn harder en taaier. Zee-eik is er 52 weken per jaar. Elk wier heeft een specifieke smaak en bereiding (zie foto onderaan). Of het ook lekker is? Ik vind van wel. Ook steeds meer koks houden van de mogelijkheden en smaakvariaties die zeewieren bieden. Soms sta ik er zelf van te kijken wat ze ermee klaarmaken.

Heeft de oogst van zeewier impact op het zeeleven? 
Nee. Er komt heel veel zeewier voor in de Oosterschelde. Na een storm liggen de oevers bijvoorbeeld vol met zeewieren. Ik oogst ook nooit een volledige plant, zodat die terug kan aangroeien. Zeesla oogst ik daarom maximaal twee tot drie keer per jaar op dezelfde plaats. Zee-eik zelfs maar één tot twee keer. Ik moet ook mee met de natuur. Ik kan niet bijsturen zoals een boer op het land. Ik mest niet bij en gebruik geen bestrijdingsmiddelen. Ik ben volledig afhankelijk van de wind, de stroming, de temperatuur en het seizoen.

Nu doe je aan wildvangst. Kan je zeewier dan niet telen? 
Telen doe ik nog niet. Ik onderzoek wel samen met het bedrijf Seaweed Harvest Holland wat mogelijk is. In een beschermde hoek van de Oosterschelde hangen we lange kabels in het water. Daarop zijn jonge zeewierplantjes bevestigd. Dat zeewier groeit, en we kunnen het vervolgens eenvoudig oogsten door de kabels binnen te halen. Gaandeweg leren we van onze fouten.

Hoe kwam je eigenlijk op het idee om zeewiervisser te worden?
 Negen jaar geleden nam ik het bedrijf van mijn oom over. Hij leverde zeewieren aan oesterhandelaren om er schelpdieren op te presenteren. Ik geloofde in het potentieel van zeewieren als voedsel, en breidde het bedrijf uit met eetbare wilde zeewieren.

Kan iedereen zeewier oogsten? 
Nee. Je hebt er een vergunning voor nodig. Het is zelfs zo dat je in tegenstelling tot bijvoorbeeld mosselen, waarvan je tien kilogram per persoon mag oogsten, zonder vergunning helemaal geen zeewieren mag oogsten.

Moet je een kok zijn om zeewier klaar te maken? 
Koks zijn nu mijn belangrijkste klanten, dat klopt, maar ik weet zeker dat iedereen met zeewier aan de slag kan. Ik geloof wel dat we consumenten een beetje moeten helpen. Het moet makkelijk en laagdrempelig zijn om zeewier op je bord te krijgen. Bijna kant-en-klaar. Ik laat nu al zeewierchips maken. Er zijn ook al zeewierkroketten. En we staan niet stil. Ik overleg vaak met voedingsbedrijven hoe we zeewier van bij ons vlotter tot bij de consument kunnen brengen.

Wat zijn de voordelen van zeewier ten opzichte van traditionele groenten?
 Zeewier is rijk aan eiwitten, vitaminen A, B, C en E en mineralen, waaronder calcium, natrium, ijzer en jodium. De delen van het zeewier die niet door het lichaam worden afgebroken, kun je zien als vezelrijke ballaststoffen die de darmwerking bevorderen. Zeewieren zijn ook veel duurzamer dan voedsel dat op land wordt gekweekt. Ze nemen zelfs koolstofdioxide op, waardoor ze ingezet kunnen worden in de strijd tegen de verzuring van de oceanen en de klimaatverandering.

Waarom liggen de winkelrekken nog niet vol met zeewier? 
We moeten nog enkele hordes overwinnen. Zo moet de houdbaarheid omhoog. Gedroogd is zeewier twee jaar houdbaar, maar vers is dat slechts zes dagen. Dat moeten we optrekken naar minstens negen dagen om interessant te zijn voor de supermarkten. Er worden veel tests gedaan om te achterhalen hoe we zeewieren langer kunnen bewaren, uiteraard zonder bewaarmiddelen toe te voegen. Daarnaast moet de consument ook nog meer vertrouwd raken met zeewier. Dat heeft tijd nodig. Een tiental jaar terug begonnen chefs plots zeekraal en lamsoor te gebruiken. Voor de consument was dat toen heel speciaal, maar ondertussen zijn die zeegroenten bijna even gewoon als sla en tomaten. Zeewier gaat volgens mij dezelfde weg op.

X


SFEERBEELD VAN EEN DORP 1939


BOER EN KAR 1950



LEIDINGWATER OPHALEN IN HET CENTRUM AAN DE STADSPOMP


De stadspomp was vanaf de 17e eeuw cruciaal voor stedelingen die geen toegang hadden tot schoon oppervlaktewater. Deze handbediende pompen werden gebruikt voor het oppompen van ondiep grondwater en dienden als centrale watervoorziening in steden en dorpen. Veel historische pompen zijn bewaard gebleven en gelden nu als relict.



LUMMEN - KINDEREN OP WEG NAAR HUIS NA EEN SCHOOLDAG 1918


Sommige kinderen, die in de verste uithoeken van het dorp woonden, moesten dagelijks vele kilometers afleggen, vaak op klompen of op blote voeten, op weg naar en van de school.

X

vrijdag 24 april 2026

HANDMATIG ROOIEN VAN SUIKERBIETEN 1954


X

HET BOERENPAARD NOG SPRINGLEVEND (ARTIKEL 1982)


X

CARWASH IN DE 50'S


X

HANDMELKEN



Tot halverwege de 20ste eeuw werden koeien voornamelijk met de hand gemolken. Per uur konden slechts acht tot tien koeien gemolken worden, een ontzettend arbeidsintensief proces. Het was dan ook gebruikelijk om een gemengd bedrijf te hebben (bv. veeteelt en akkerbouw) met slechts enkele koeien.

X



AARDAPPELEN OOGSTEN MET DE HAND 1939

Een boer rijft de bermen open waarin aardappels gepland zijn. Hij wordt gevolgd door drie vrouwen die het 'kruid' omhoog trekken, de grond met de handen omwoelen en de knollen verzamelen in een rieten mand.

Aardappelkrabbers, ook wel pijpenkoppen genoemd.

Nooit was vroeger het schoolverzuim zo hoog als in de aardappeltijd. Ouders en kinderen, iedereen zat op het land. 

Hoewel, helemaal met hun blote handen ging het misschien ook weer niet. Er waren streken waar men aardappelkrabbers, ook wel pijpenkoppen genoemd. Dit waren een soort puntige vingerhoedjes die de vingers beschermden tegen scherpe voorwerpen in de grond. Helemaal op percelen waar straatafval als bemestingsmateriaal werd gebruikt, was dat geen overbodige luxe. Dat afval bestond namelijk niet alleen uit organische restanten, er zat soms ook glas tussen, potscherven en wat dies meer zij. Handmatig oogsten was tot in de jaren 50 heel gewoon, ook al waren er toen inmiddels rooimachines. Niet elke boer kon zich die echter veroorloven en de machines waren ook niet erg geschikt voor kleinere percelen. En aangezien iedereen wel een lapje aardappelen had, kwamen die kleine stukjes veel voor.

X




WIE DE BOER NIET EERT HEEFT NIETS VAN DE GESCHIEDENIS GELEERD


X

HAVEROOGST 1952


X

OUDE AMBACHTEN: KOPIIST


De uitvinding van de boekdrukkunst heeft ervoor gezorgd dat we bijna nooit meer teksten over hoeven te schrijven. Dit was in de middeleeuwen wel anders. Men moest met een schrijfveer teksten overschrijven en vertalen. Een kopiist is een beroep, dat nu niet meer bekend is, maar een paar eeuwen geleden onmisbaar was.

In de middeleeuwen kostte het veel tijd om boeken te maken. Voordat het papier werd uitgevonden, werden boeken op perkament gedrukt. De perkamentmaker maakte er mooie en blanke vellen van, waaruit schrijfvellen werden gesneden. Er werd belijning aangebracht zodat de kopiist mooie recht lopende regels kon schrijven. Vervolgens werden er gaatjes in het perkament geprikt en werden er met een puntig voorwerp, horizontale en verticale lijnen gemaakt. Daarna schreef de kopiist de boeken en teksten over. Het beroep kopiist was in de tiende en elfde eeuw een bekend middeleeuws beroep. Omdat het vooral geestelijken waren, die leerden lezen en schrijven, was de kopiist vaak monnik en schreef de kopiist vooral religieuze teksten over.

Nauwkeurig

Het overschrijven van teksten was een nauwkeurig werkje. Soms kon het voorbeeld precies overgeschreven worden, maar veel vaker was dat niet het geval. Het voorbeeldboek had bijvoorbeeld een ander formaat en indeling dan de kopie. Er moest daarbij rekening worden gehouden met waar de titels van de hoofdstukken geplaatst werden, maar ook welke tekstgedeelten met initiaal versierd moesten worden. Bij het kopiëren van de teksten werd er dus goed gekeken naar de vormgeving. Daarnaast werd er geschreven met een veer die regelmatig bijgesneden moest worden. Behalve dat het een baan was waar veel aandacht voor nodig was, was het ook zwaar werk. Zo moesten kopiisten urenlang schrijven, vaak staand en bij weinig licht, waardoor zij een slechte houding kregen en hun zicht verminderde

Scriptorium

Een kopiist werkte in een scriptorium. De naam is afkomstig van het Latijnse woord ‘scribere’ wat schrijven betekent. Het scriptorium was een ruimte in een klooster waar monniken teksten en boeken vertaalden en overschreven. Het scriptorium werd ook wel ‘schrijfkamer’ genoemd. Tot de elfde eeuw vond het vervaardigen van handschriften met name in kloosters plaats. Vanaf de dertiende eeuw werkten beroepskopiisten ook vanaf kathedraalscholen en universiteiten.

scriptorium
Scriptorium

Uniek

Elk exemplaar dat de kopiist schreef werd gezien als uniek. Een kopiist had vaak een eigen schrijfstijl en soms werden teksten verkeerd geïnterpreteerd of werden er vergissingen gemaakt. Dit kwam doordat kopiisten lange dagen maakten, waardoor vermoeidheid voor fouten zorgde. Maar een kopiist maakte soms ook bewust aanpassingen aan een tekst, om aan de eisen en smaak van de opdrachtgever te voldoen. Zo werd moeilijke taal aangepast en werden onduidelijke begrippen vervangen of weggehaald. Hierdoor is er niet echt meer te spreken van het kopiëren van een tekst, maar meer van het compleet herzien van een tekst. Vele auteurs verweten het daarom kopiisten om op deze manier teksten over te schrijven.

Wanneer verdween het beroep?

De vraag naar teksten nam vanaf de veertiende eeuw steeds meer toe, van zowel de kloosters als de samenleving. Voor kopiisten was de vraag te groot om het bij te houden. Toen de boekdrukkunst rond 1450 haar intrede deed, werd het beroep van kopiist daardoor steeds minder belangrijk. Met een drukpers kon in een fractie van de tijd een veel groter aantal kopieën worden gemaakt. Dat kon vaak nog goedkoper ook, waardoor de kopiisten op den duur overbodig werden.

X

OUDE BEROEPEN: ZAKKENDRAGER

Zakkendragers bij de trechter en smakbak, de man centraal was ook klokkenluider en vuurstoker. 1915

Goederen kunnen nu makkelijk verplaatst worden zonder iemand al te veel moet tillen. Vorkheftrucks, pompkarren en allerlei andere vindingen zorgen ervoor dat grote spullen worden opgestapeld, in- of uitgeladen en verplaatst. Dat was een paar eeuwen geleden wel anders. Veel spullen werden toen verplaatst met de hand. Grote zakken meel, graan en andere goederen werden verplaatst op de sterke ruggen van de zakkendragers. 


Het beroep van de zakkendrager is ontstaan in de dertiende eeuw. Een zakkendrager verplaatste goederen op de rug, zoals graan, steenkool, meel en turf. De zakkendragers waren vooral te zien in steden met een haven, omdat daar veel goederen van de schepen naar de pakhuizen op de wal moesten worden gebracht. Daarom zie je vandaag de dag de meeste overblijfselen van de zakkendragersgildes terug in steden die in de middeleeuwen een belangrijke haven hadden.

Beroepsgilde
 De zakkendragers waren verenigd in gilden, zoals ook andere beroepen dat waren. Als je een beroep wilde uitvoeren moest je je verplicht aansluiten bij een gilde. Een gilden was een soort vakbond zoals we dat nu kennen, maar een gilde had daarnaast ook maatschappelijke taken als zorgen voor ouderen of zieken. Het beroep van de zakkendrager was zwaar. Een zakkendrager moest soms wel een zak van negentig kilo dragen. Vanuit het gilde werden daarom strenge eisen gesteld aan de fysieke gesteldheid van de zakkendragers. Zo moest een zakkendrager in goede gezondheid zijn en een leeftijd tussen de twintig en dertig jaar oud hebben. In de dertiende eeuw kregen de gilden van de zakkendragers meer invloed op politiek, bestuurlijk en religieus gebied. 

 Zakkendragershuis
 Bij het gildehuis dat vaak ook wel het zakkendragershuis werd genoemd, werd het werk voor de zakkendragers verdeeld. Als er gelost moest worden, werd de klok van het gildenhuisje door de gildemeester geluid. Dat was voor de zakkendragers het signaal om snel richting het gildehuis te gaan. Met het luiden van de klok werd ook een zandloper omgekeerd, als die helemaal doorgelopen was, ging het zakkendragershuisje dicht en konden geen leden meer naar binnen. Wie niet binnen was, mocht niet meewerken bij het lossen en laden van het schip – en had dus geen geld. Daarom woonden alle medewerkers in de buurt van het huisje en werd er nauwlettend op de klok gelet. Als de deuren dicht waren, verdeelde de gildemeester het beschikbare werk onder de leden van het gilde. Dat ging door een soort loting. Met een dobbelsteen werd bepaald hoeveel man er mee mocht helpen. Het gooien van de dobbelstenen heette ‘smakken’. De dobbelstenen werden niet zomaar gegooid, om het proces eerlijk te laten verlopen werd er een zogenaamd ‘smakbord’ gebruikt. De dobbelsteen werd in een trechter gegooid en kwam terecht op een bord. De dragers die het hoogste aantal ogen gegooid hadden, mochten aan het werk.

Wanneer verdween het beroep? 
In 1789 werden de meeste gilden opgeheven. Andere gilden bleven bestaan als genootschap. Door modernisering was er te weinig werk voor de zakkendragers. Gemotoriseerde karren, kranen en andere machines konden het werk beter en sneller doen. 

X

HET VERDWENEN BEROEP VAN DE MARSKRAMER


Tegenwoordig is de term Marskramer voornamelijk bekend van de winkelketen, maar eeuwenlang was het daadwerkelijk een bekend fenomeen door stad en land. Een kleine verkoper, met een hoop spullen ‘in zijn mars’. Een uitdrukking met een tegenwoordig positieve lading; maar dat was vroeger wel anders.

 Britse Peddlers 
Het beroep ontstaat rond 1225 in Engeland, als hier een melding wordt gemaakt van zogeheten Peddlers. Lopende verkopers, met op hun rug een kenmerkende korf of mars. Hieruit verkopen ze – op bijvoorbeeld markten en kermissen – verschillende kleine producten. Een bezigheid die over het algemeen onschuldig klinkt, maar desondanks niet goed opgevangen wordt door de bevolking.

 Marskramers als onheilspellende ketters 
De burgerij is niet bepaald gesteld op ‘varende luyden’, waar naast marskramers ook bedelaars onder vallen. Zij zouden schadelijk zijn voor de maatschappij en bewust klanten benadelen. Als dit vervolgens bevestigd wordt in een 14e eeuws traktaat, beginnen donkere geruchten zich te verspreiden over de verkopers. Zo doen ze aardig wat stof opwaaien rond de reformatie, door naast rozenkransen ook protestantse propaganda te verkopen. Zondaars dus, die ongeluk zouden brengen. 

Van boosdoener naar slachtoffer
 Aan het einde van de 16e eeuw krijgen deze negatieve geruchten een wending. De Tachtigjarige Oorlog breekt uit, gepaard met een economische crisis. Marskramers worden hierdoor eerder als slachtoffer gezien van de situatie met het Spaanse regime, dan als boosdoener. Een aantal jaar ervoor heeft Karel V namelijk ook het plakkaat tegen afzetterij van de rondtrekkende kooplieden uitgebracht, waardoor hun beroep vrijwel onmogelijk wordt gemaakt. Desondanks blijft het beroep wel nog bestaan, waarin het voornamelijk in plattelandsstreken wordt uitgeoefend. Hier is het tenslotte lastiger om specifiek op te controleren.

 Joodse marskramers op het Hollandse platteland 
Door velen wordt het beroep gezien als iets typerend Joods, gezien de joden tot 1789 zijn uitgesloten van de meeste christelijke gilden. Dit dwingt ze om zich op vrije beroepen te storten, waaronder marskramer. Zelfs na de opheffing van de uitsluiting, associeert men het beroep met de bevolkingsgroep; in het bijzonder op het platteland.

 De verdwijning van het beroep 
Het uiteindelijke verdwijnen van het beroep valt hierdoor in de loop van de eeuwen te verklaren door gecombineerde factoren. Niet alleen werd het beroep al een stuk minder beoefend na het opgelegde plakkaat en de verplichte vergunningen; de vervolgingen door de nazi’s tijdens de Holocaust doen de laatste overgebleven marskramers verdwijnen.

X

SAMEN TV KIJKEN IN DE JAREN '50


Niet iedereen had een tv in die tijd. Als men goede buren had dan kon men daar weleens gaan kijken.

HONDEN OP HET ERF EN OP HET PLATTELAND


Wie vandaag het woord ‘hondenkar’ opzoekt, krijgt meteen verschillende beelden van de meeste diverse fietsaanhangwagentjes om honden te vervoeren. Wie beelden zoekt met dezelfde term die 100 jaar oud zijn, krijgt een volledig ander resultaat: karren gevuld met melkbussen getrokken door honden onder begeleiding van jonge meisjes en jongens. Het woord hondenkar onderging een verschuiving van betekenis: van het trekdier dat voor de kar liep tot het huisdier dat in de kar zit.

Boerderijhond

Oorspronkelijk waren huisdieren hoofdzakelijk dieren die nuttig waren op een boerderij, zoals katten die muizen moesten vangen. Honden konden op een boerderij meteen voor meerdere zaken ingezet worden. Ze bewaakten het erf, niet alleen tegen menselijke indringers, maar beschermden ook het vee tegen wilde dieren zoals vossen en marters. Net zoals katten jaagden sommige honden op ongedierte zoals ratten en muizen. Daarnaast hielp de boerderijhond ook de boerin: door als ‘boterhond’ in de tredmolen te lopen bij het maken van boter of door als trekhond lasten te vervoeren. De hondentredmolen mag samen met de wanmolen als één van de eerste uitingen van mechanisering op de boerderij worden beschouwd. Hij werd bijna uitsluitend gebruikt voor het karnen van de melk tot boter. Maar er zijn ook constructies bekend waarmee water werd opgepompt, zaagmachines werden aangedreven of zelfs ijzer gesmeed. In de periode tussen 1880-1910 was de hondentredmolen een veel voorkomend verschijnsel. Op dat moment verliep de boterverwerking bij de kleine boer immers nog grotendeels op de boerderij. Een bijzonder type van boerderijhond was de herdershond. De herdershond was getraind om schapen te hoeden. De hond kreeg bevelen van de herder via de stem, fluitsignalen en gebaren. Een hond opleiden tot herdershond kon wel tot drie jaar duren.


Hondenkarren in het straatbeeld

Tot aan het begin van de 20ste eeuw waren karren die door honden werden getrokken vaak in steden en dorpen te zien. België was trouwens het land dat het meeste aantal hondenkarren telde. Rond 1900 werd hun aantal op liefst 150.000 geschat. Ze werd vaak gebruikt door melkmeisjes en –jongens die met melk rondgingen. De zware melkbussen waren geplaatst op de hondenkar. Ook handelaars maakten gebruik van de hondenkar: marktkramer, groenteboer, bakker en zelfs de mosselman en petroleumverkoper. Landarbeiders en kleine boeren gebruikten trekhonden om naar de markt, de molen of de melkerij te gaan. Voor het echte werk op het land gebruikten ze een kruiwagen, eventueel met een hond aan de ketting voor extra trekkracht. 


Een klein paard

De honden werd ingespannen met een borsttuig en een hondengareel, beide te vergelijken met een paardengareel. Bij zwaardere lasten werden tot wel vijf trekhonden ingeschakeld. Ze liepen allemaal naast elkaar. Voor het trekken werden verschillende sterke hondenrassen gebruikt. Er waren pogingen om een ideaaltype trekhond te fokken. Rond de jaren 1900 werd zelfs de federatie voor de Belgische trekhond opgericht. Het resultaat was de Belgische mastiff (mâtin belge), verwant aan de Franse mastiff. Opvallend is dat met het verdwijnen van de hondenkarren in de jaren 1950 ook de Belgische mastiff verdween. Dit hondenras werd niet langer als huisdier gehouden. Voor vele landarbeiders was de trekhond het ‘paard van de armen’. Ze waren goedkoop, zowel in aanschaf als in onderhoud. Ze aten tafelrestjes of slachtafval en hadden betrekkelijk weinig plaats en verzorging nodig. Honden en hun karren waren veel kleiner dan door het paard getrokken voertuigen en dus wendbaarder en veel handiger.


Protest en bescherming

In de Lage Landen was Nederland voorloper op het vlak van dierenwelzijn. Vanaf 1900 kwam er in toenemende mate protest tegen het gebruik van trekhonden en hondenkarren. De Nederlandse trekhondenwet van 1910 legde enkele regels op om het dierenwelzijn te verbeteren. In België kwam er geen algemene trekhondenwet. Wel waren er allerhande wettelijke bepalingen, zoals een verplichte drinkbak en rustplank en een verbod op het gebruik van een zweep. De regels verschilden van plaats tot plaats en werden op het platteland minder strikt nageleefd. Vanaf het interbellum en na de Tweede Wereldoorlog werden echter steeds minder trekhonden gebruikt. De introductie van de verbrandingsmotor en de toegenomen welvaart maakten hondenkarren stilaan overbodig. Op gemeentelijk niveau had de Belgische trekhond rond 1950 zo goed als afgedaan.


Honden(karren) vandaag

Trekhonden zijn vandaag zelden nog  te zien. De Vlaamse Trekhondenvereniging ‘Met hond en kar’ is de enige amateurgroep die in België toestemming heeft om met trekhonden karren te trekken. Ze stellen expliciet “om deze traditie in stand te houden voor folkloristische doeleinden”. Honden worden vandaag niet zozeer meer gehouden vanuit praktische overwegingen maar vooral als betrouwbaar gezelschapsdier. Dierenrechten zijn een belangrijk thema geworden in de 21ste eeuw. Toch worden honden nog functioneel ingezet: denk maar aan reddingshonden, politiehonden, assistentiehonden, herdershonden en waakhonden.

X


GEZELLIGHEID IN DE WOONKAMER 1956


GRAANOOGST 1960


GERST WORDT MET DE ZICHT GEMAAID 1964


donderdag 23 april 2026

HET LAND OMPLOEGEN MET EEN TWEESPAN 1950


X

OUDE BEROEPEN: LINNEN KAMMERS (FOTO 1900)


Een kammer is een oud beroep waarbij iemand wol kamt om de vezels te ordenen en te reinigen, vaak met een wolkam. Het kan ook verwijzen naar een onderdeel van een machine dat deze functie automatisch uitvoert. Daarnaast is het een achternaam van Duitse oorsprong.

X

RUNDEREN NA DE EERSTE WERELDOORLOG 1919


Twee boeren poseren met een jong en een iets ouder rund.  De oorlogsomstandigheden, de talrijke opeisingen, het gebrek aan veevoeder, de vele noodslachtingen en de moeilijke werkomstandigheden voor de veekweekbonden brachten de veestapel een zware slag toe. Het veebestand was in 1919 spectaculair gedaald ten opzichte van 1913. Recent onderzoek wees uit dat het totaal aantal paarden, varkens en runderen daalde met meer dan 50%. De rundveestapel kende een daling van ongeveer 35% terwijl het paardenbestand met 40% afnam. Vooral de varkensstapel was ernstig getroffen: in 1919 waren maar liefst 75% minder varkens in België dan voor de oorlog. Ook bij het kleinvee waren er talrijke verliezen. Het pluimvee, de geiten en de schapen verminderde drastisch in aantal. Er was bovendien niet alleen een kwantitatieve daling: het gewicht van het overblijvende vee was met de helft afgenomen. Door het verbod op slachten van kalveren en biggen bestond het veebestand hoofdzakelijk uit jonge dieren.

X

VROUW HELPT HAAR MAN DIE IN DE MIJN GEWERKT HEEFT MET HET WASSEN


X

OMA'S OP HET VELD


Vroeger stonden oma's op het veld zo lang het ging om fysieke arbeid te verrichten. Werken op het veld stond synoniem met vroeg opstaan. Tijdens de oogst werd er op het veld gegeten om zo weinig tijd te verliezen.

X

ROGGESCHOVEN LADEN

Ingekleurde versie Upscaled X