Zakkendragers bij de trechter en smakbak, de man centraal was ook klokkenluider en vuurstoker. 1915
Goederen kunnen nu makkelijk verplaatst worden zonder iemand al te veel moet tillen. Vorkheftrucks, pompkarren en allerlei andere vindingen zorgen ervoor dat grote spullen worden opgestapeld, in- of uitgeladen en verplaatst. Dat was een paar eeuwen geleden wel anders. Veel spullen werden toen verplaatst met de hand. Grote zakken meel, graan en andere goederen werden verplaatst op de sterke ruggen van de zakkendragers.
Het beroep van de zakkendrager is ontstaan in de dertiende eeuw. Een zakkendrager verplaatste goederen op de rug, zoals graan, steenkool, meel en turf. De zakkendragers waren vooral te zien in steden met een haven, omdat daar veel goederen van de schepen naar de pakhuizen op de wal moesten worden gebracht. Daarom zie je vandaag de dag de meeste overblijfselen van de zakkendragersgildes terug in steden die in de middeleeuwen een belangrijke haven hadden.
Beroepsgilde
De zakkendragers waren verenigd in gilden, zoals ook andere beroepen dat waren. Als je een beroep wilde uitvoeren moest je je verplicht aansluiten bij een gilde. Een gilden was een soort vakbond zoals we dat nu kennen, maar een gilde had daarnaast ook maatschappelijke taken als zorgen voor ouderen of zieken. Het beroep van de zakkendrager was zwaar. Een zakkendrager moest soms wel een zak van negentig kilo dragen. Vanuit het gilde werden daarom strenge eisen gesteld aan de fysieke gesteldheid van de zakkendragers. Zo moest een zakkendrager in goede gezondheid zijn en een leeftijd tussen de twintig en dertig jaar oud hebben. In de dertiende eeuw kregen de gilden van de zakkendragers meer invloed op politiek, bestuurlijk en religieus gebied.
Zakkendragershuis
Bij het gildehuis dat vaak ook wel het zakkendragershuis werd genoemd, werd het werk voor de zakkendragers verdeeld. Als er gelost moest worden, werd de klok van het gildenhuisje door de gildemeester geluid. Dat was voor de zakkendragers het signaal om snel richting het gildehuis te gaan. Met het luiden van de klok werd ook een zandloper omgekeerd, als die helemaal doorgelopen was, ging het zakkendragershuisje dicht en konden geen leden meer naar binnen. Wie niet binnen was, mocht niet meewerken bij het lossen en laden van het schip – en had dus geen geld. Daarom woonden alle medewerkers in de buurt van het huisje en werd er nauwlettend op de klok gelet. Als de deuren dicht waren, verdeelde de gildemeester het beschikbare werk onder de leden van het gilde. Dat ging door een soort loting. Met een dobbelsteen werd bepaald hoeveel man er mee mocht helpen. Het gooien van de dobbelstenen heette ‘smakken’. De dobbelstenen werden niet zomaar gegooid, om het proces eerlijk te laten verlopen werd er een zogenaamd ‘smakbord’ gebruikt. De dobbelsteen werd in een trechter gegooid en kwam terecht op een bord. De dragers die het hoogste aantal ogen gegooid hadden, mochten aan het werk.
Wanneer verdween het beroep?
In 1789 werden de meeste gilden opgeheven. Andere gilden bleven bestaan als genootschap. Door modernisering was er te weinig werk voor de zakkendragers. Gemotoriseerde karren, kranen en andere machines konden het werk beter en sneller doen.
X

Geen opmerkingen:
Een reactie posten