donderdag 12 maart 2026

"ZO GING HET ERAAN TOE"

Ingekleurde foto

Het was zwaar werk tegen een karig loon. Nog tot in de jaren ’40 werkten veel landarbeiders onder het juk van een herenboer. Na de oorlog kwam de bevrijding. De mechanisering gaf ze nieuwe kansen. Voortaan reed de herenboer zondags op de trekker en de landarbeider toerde in z’n autootje. Op het vlakke land zie je ze van verre opdoemen: de grote Herenboerderijen. Vaak zijn ze als een soort vesting gebouwd, met pilaren naast de brede deur, een Engelse landschapstuin er omheen en soms zelfs nog een slotgracht. Op het platteland staan de grote herenboeren aan het begin van de twintigste eeuw in hoog aanzien. Ze zijn rijk en bovendien machtig in het politieke leven van de provincie. Een trap lager op de sociale ladder staan de burgers, kleine zelfstandigen en handwerklieden. En helemaal onder aan staan de landarbeiders, mannen die het land van een grote boer bewerken. Ook de vrouw en kleine kinderen werken in vakanties en tijdens oogsttijd geregeld mee. Elke extra cent is welkom want het waren vaak grote gezinnen die in armoede in de typische landarbeidershuisjes woonden. “Ieder die geen landarbeider was, achtte zich hoger”. Die scheiding komt al vroeg; in de schoolbanken zat een kind van een middenstander niet naast een kind van een landarbeider. De jeugd eindigt vroeg, als dertienjarige van school gaan: “Eerst nog een half jaar thuis werken, maar toen het huis uit naar de boer toe om de kost te verdienen”. Als dertien jarige jongen ga je als knecht in betrekking bij de grote herenboeren. Deze herenboeren werken namelijk niet zelf op het land. Ze zijn een soort bedrijfsleiders die het werk laten doen door landarbeiders en knechten. De contracten van de knechten lopen van mei tot mei. Op zondag mogen de jongens naar huis lopen voor bezoek en voor de rest van de tijd zijn ze dag en nacht op de boerderij. Ze hebben een soort van bedstee in de stal of achter op de deel. “Daar lag je dan in de nacht, je hoorde overal geluiden en muizen lopen”. “Dan ben je dertien jaar, net een lam die bij het schaap was weggehaald, je had heimwee”. “Je woonde bij de boer, maar er was een hele grote afstand”, vertelt Marten Vogel. Niet alleen slaap je niet in het huis, maar je eet er meestal ook niet. Overdag schaftte je in het land, of het nu regende of niet en ‘s avonds bij de koeien of soms in de keuken”. Over het eten klagen de mannen. Het zijn jongens in de groei en ze krijgen vaak niet genoeg te eten. Als je er wat van zei dan werd er een oude broodkorst op tafel gesmeten. “Maar meestal zei je er niks van en at je wat aardappels die voor de varkens bedoeld waren op”. Op slecht eten moet zwaar werk gedaan worden: ploegen, eggen en op de knieën bieten poten. 

X


Geen opmerkingen:

Een reactie posten

ROGGESCHOVEN LADEN

Ingekleurde versie Upscaled X